Beijing
Bokaal
De bar annex restaurant annex gratis surfstek in het Candy Inn in een hutong in Beijing heeft iets van een aquarium. We zitten hier met z’n allen rondjes te draaien en weten dat er buiten deze kom een hele wereld te ontdekken valt en toch is dit makkelijker. Dezelfde plantjes – pizza, burger en dumplings – hetzelfde kasteeltje – onze veilige kamer met tv en slot. Een allegaartje van exotische visjes verzamelt hier na de obligate dagexcursie in de bloedhete smog of komt hier uitkateren na een nachtje Beijing clubbing. Ik heb dit vaker gezien – geef toe, ik heb wat globekilometers onder de zolen. Reizigers aller landen verenigen zich…net niet.
De lingo, het t-shirtje met exotisch bierlogo, het stoere verhaal van een maar net geslaagde paspoortcontrole, het regelen van een vlucht naar morgen en – nu ook – het Facebooken met het thuisfront zijn kennelijk het hedendaagse uitstalraam van je wanderlust. Heel af en toe ontmoet ik de zonderling – vergeef hem zijn reisexclusieve baardgroei – die me vertelt hoe hij per fiets de hele stad doorkruiste en zo niet-gids bestemmingen bereikte. Omdat ze nooit een bestemming waren. Heel af en toe ontmoet ik de avonturier die graag luistert – en echt luistert, notities inclusief – naar mijn tips en ervaringen over Tibet. Verder zijn het vooral twintigers en prille dertigers die – oh wee, we hebben geen budget (hoe durf je dat hier te zeggen?) – zichzelf elke dag heruitvinden. Totdaar het kortetermijngeheugen van de goudvis. Verder gaat deze vergelijking met het aquarium niet op.
In tegenstelling tot de goudvis slagen wij mensen erin om de spiegel te doorbreken en een nieuwe weg in te slaan. Maar dan moet je voorbij het “waar was jij gisteren?” en “waar ga jij morgen naartoe?” Dan moet je wegzakken in het hier en nu. En zelfs dat niet. Gewoon zijn, met de nadruk op gewoon.
Word ik te cynisch voor hype guesthouses? Of word ik straks gewoon veertig? Ik kijk ernaar uit. De bokaal wordt er alleen maar groter op.
Tempel van stilte
Ik begeef me in een koele en kraaknette metro richting Temple of Heaven Park. Toen ik in 2005 voor het eerst in Beijng was, was men druk doende deze sandaalhouten constructie te restaureren. Meer dan een stelling en doeken was hier toen niet te zien. Vandaag is dat even anders. Ik koop een kaartje aan de ingang van het park en sta een beetje te gapen naar het informatiepaneel wanneer de gids Lei naar me toe stapt. Of ik naar de Muur wil, of naar de Verboden Stad? Of een rondleiding langs de paviljoenen hier in het park? Ik aarzel even maar denk dan: waarom niet. Ik ben hier alleen. Gezelschap is mooi meegenomen. Lei spreekt heel verstaanbaar Engels en is, dat blijkt al snel, op de hoogte van alle historische feiten. Die van lang geleden op de keizerlijke tijdsbalk, maar ook die van een iets recentere datum. Ik heb er goed aan gedaan net vandaag deze plek uit te kiezen, zo zegt hij. Er is enkele dagen een ban op alle Chinese tourgroepen in Beijing. Deze week is het twintig jaar geleden dat het ‘Tankmanincident’ het Tienanmenplein op de wereldkaart zette en de overheid wil nu even geen Chinese groepen in de stad. Nu even niet. Normaal gezien is het hier mensendik kijken. Een af- en aanrijden van bussen die hordes paraplu’s en petjes het park injaagt. Vandaag is het hier stil. Lei begint met het corrigeren van de naam Temple of Heaven. In werkelijkheid is het de tempel van het gebed voor de oogst.
De keizer vertrok na een periode van vasten vanuit de Verboden Stad met zijn gevolg. Een gevolg te paard, te voet, in ceremoniele wapen- en klederdracht, allemaal gecastreerd. Geen vrouwen richting tempel. Hij verbleef hier drie dagen, dagen zonder vlees, van meditatie en gebed. Aan de intrede van het complex werd hij ritueel gewassen en gekleed in een soort van badhuis. Dan ging het richting hal van de tabletten. Chinezen maken bij het overlijden van een voorouder een tablet met daarin een gebed gegraveerd. Het lichaam is vergankelijk en verdwijnt al snel. De geesten daarentegen verblijven in de hemel en verdienen dus een gebed op een tablet. Logisch. Zo werden er dus ook tabletten gemaakt voor de keizerlijke voorouders. Die worden bewaard en bewaakt in prachtige hallen in dit complex. Voor dit terugkerende ritueel werden er houten replica’s van deze tabletten gemaakt. En er werd een offeros gekozen. De os werd verbrand in een houtoven en de tabletten in elk een eigen bronzen korf. Met de rook en stank van deze offers hoopte de keizer de aandacht van de hemelgoden te trekken.
De keizer begaf zich tenslotte naar het Altaar van de Hemel, een groot rond marmeren bouwsel met centraal een ronde verhoogde steen. Op deze steen riep hij het gebed voor een goede oogst de hemel in. Door de architectuur van deze cirkel weerklinkt hier een enorme galm wanneer je op die bepaalde plek roept. Ik kan het vandaag op aanwijzen van Lei uittesten. Er is geen muur van toeristen die het geluid breekt. Ik sta hier alleen en roep vanop de keizerlijke cirkel mijn gebed naar de hemel: ‘Goede reis, Sarah!’ Mijn echo beaamt.
Hutong hitte
Ik land na een slapeloze vlucht – twee uurtjes wroetslaap met een stijve nek tel ik niet als slaap – in Beijing. De passagiers staan op, verzamelen pak en zak uit de kastjes en drummen zich een weg naar de uitgang. De crew fluit ons terug. Iedereen terug op zijn plaats. Er komen medische inspecteurs met maskertjes en latex handschoenen aan boord. Met een pastelpaars pistooltje – alles medisch heeft hier een pastelkleur – wordt, zonder aanraking, van alle passagiers de temperatuur gemeten. Is het echt high-tech en menens of gewoon blufpoker? Zoiets weet je hier nooit. We vullen allemaal ons papiertje in waarop we verklaren dat we geen griep hebben, geen koorts, geen keelpijn, geen hoest, geen pijn in de borststreek. En dat we de afgelopen week geen contact hadden met een varken. Verder willen ze ook weten waar we de afgelopen twee weken vertoefden. En dan mogen we op het vasteland, het Moederland. Terminal 3 ligt er nog steeds kraaknetjes en muisstil bij. Ook hier weer aanschuiven bij de medische inspecteurs. Onze ‘health declaration’ afgeven aan een gemaskerde bureaucraat. Nu nog langs Immigratie en dan ben ik binnen in het Middenrijk. Sinds mijn laatste bezoek aan de toen Olympische stad is de nieuwe treinverbinding van de Airport Express voltooid en trein ik vlot naar het hart van de hoofdstad. Een metrostop erbij en ik sta op de straat. Een warme straat, en het is pas 8 uur ‘s ochtends. Ik vind de weg naar mijn guesthouse in een hutong achter de Lama Tempel. Mijn vergunning voor Tibet ligt klaar aan het onthaal. Ja!
Ik slaap enkele uren, het is voor mij tenslotte putje nacht, en trek dan richting International Hotel, het enige adres waar je als buitenlander een treinkaartje voor Mongolie kan bemachtigen. Als ze er zin hebben tenminste. Vandaag is mijn geluksdag. 1600 yuan armer en een treinticket Beijing-Ulaanbaatar rijker sta ik weer in de hitte. Het is ondertussen 32 graden en een briesje blijft uit. Maar ik ben blij. Al de geplande reisvoorbereidingen zijn in een dag geregeld. Geloof me gerust, dat is in China geen sinecure. Vaak gaat het van het kastje naar de muur. En dan heb ik het niet over het historische bouwwerk. Die Muur bewandel ik in juli. Dan breng ik nog een dag of vier door in Beijing. Nu ga ik vooral rusten, een beetje in de tuin van de tempel zitten lezen, een beetje kuieren in de hutong voor en na de hitte. Kan ik vrijdag uitgerust en geacclimatiseerd naar het speelgeweld van 76 snotapen hoog boven de boomgrens in Tibet.

