reizen

Mit Nolleke zum Eiffel

Er zijn zo van die aanbiedingen die je gewoon niet links kan laten liggen. Drie voor de prijs van één bij chocola bijvoorbeeld. All-you-can-eat buffetten in Moskou, happy hour in Scandinavische pubs, of “Buy once, fly twice!” voor vluchten naar Ulaanbaatar. Niet dat ik die laatste ooit tegenkwam. Die verzin ik in mijn ideale wereld. De aanbieding waar ik het nu over wil hebben betreft een reisje iets dichter bij huis: drie overnachtingen, drie ontbijten, drie drie-gangen diners, toegang tot binnenzwembad met sauna en stoombad in een viersterrenhotel in een dorpje in de Eiffel voor de prijs van 119 euromarken. Nou, waar wacht ik nog op? Op instructies van Nolleke… (lees verder…)

Keyloggers vs geeks

Dat ik in Tibet mijn Gmail account kwijt speelde kon toeval zijn. Het was een vriend thuis ook al eens overkomen. Hackers, keyloggers, digiboeven en cyberpiraten heb je overal. Maar nog andere digifeiten deden me al gauw tot de conclusie komen dat zoveel toeval toch wel heel ontoevallig wordt. Het begon met het kwijtspelen van mijn Gmailaccount. Toegegeven, het was dom van me om op een simpele vraag van Google Accounts mijn paswoord te wijzigen. Die pagina was helemaal niet van Google. Ik dus mijn paswoord veranderen. Wanneer ik later probeer om met het nieuwe, en ook het oude, paspoort mijn mail te openen lukt dat niet meer. Ik gaf een tweede paspoort open en bloot. Het is een koud kunstje om dan zo snel mogelijk een derde paswoord aan te maken die dat tweede vervangt. Ik wist al vroeger dat de Chinezen zouden meelezen, maar dat ze mijn account zouden kapen dat vind ik er toch wel een beetje over, zeg nu zelf. De trigger is het feit dat dit mailadres dient als contactinfo voor een weeshuis met Tibetaanse kinderen.

Soit, dit was digifeit nummer een. Dit kan overal gebeuren, denk je nog even. Tweede feit is dat ik een Nederlandstalige vertaalmachine gebruikte om een stukje Chinese tekst min of meer vertaald te krijgen. Dat lukte ’s ochtends nog wel. Bij een volgende gebruik van dezelfde computer lukte dat niet meer. De site deed het niet meer, nooit meer. Dat was digifeit nummer twee. Het werd me nu wel duidelijk dat mijn computergebruik werd geregistreerd.

Tijd dus voor een rondje pesten. Ik herken het icoontje van ‘Geschiedenis’, een soort klokje met een pijltje tegen de richting. Ik dus mijn geschiedenis wissen na het surfen. Niet dat ze dat niet elders kunnen achterhalen, maar ik wilde eens testen wat er nu zou gebeuren. En ja hoor, bij een volgende computergebruik was het icoontje simpelweg verdwenen. Deze losstaande feiten kunnen overal gebeuren. Maar dat ze alledrie op dezelfde computer in hetzelfde Censuristan gebeuren kan niet meer toevallig zijn.

Dankzij een back-up mailaccount waarvan de autoriteiten kennelijk niet op de hoogte waren of die hun kennelijk ook niet interesseert, kon ik het thuisfront op de hoogte brengen van de Gmailkaping. Computernerd annex geek Kees kon me vertellen dat het gaat om keyloggers. Er wordt software gebruikt die de aanslagen op het toetsenbord registreert, maar ook de bewegingen en klikken van de muis. Ook worden er af en toe screenshots genomen. Op die manier kan men dus achterhalen wat je waar en wanneer intypt en surft. Weer een lesje geleerd.

Als je dus ooit naar Censuristan reist, en - geloof me - er zijn er meer dan alleen daar waar een Oosterse rode vlag wappert, neem dan een link naar een virtueel toetsenbord mee op een USB stick of op je fotokaart. Met dit virtueel toetsenbord kan je, zonder gebruik van het klavier, een paswoord of andere tekst invoeren. Dit paswoord of stuk tekst sleep je dan naar de gewenste plek op een site (je mail account, je abonnementen, je blog,  je PC banking etc) en daar drop je het . Op die manier heb je iets ingevoerd zonder te typen. Daar kan de keylogger voorlopig nog niet tegenop. Die ziet alleen de sterretjes (asteriks).

Wanneer Censuristan echter ooit besluit om bij elke computer een mannetje in het blauw of het groen te installeren, zoals op de daken van downtown Lhasa, dan kan deze omweg je helaas ook niet verder helpen. Mijn advies dan is: verlaat het land alvorens de grenzen voorgoed sluiten.  Keep on surfing in the free world…

Ook handig: neem een link naar de Portable Firefox mee op je USB stick of fotokaart. Dan kan je, ongeacht de plaatselijke taal, toch surfen in het Engels. Ikzelf ben geen geek dus als mijn geekvrienden hier nog opmerkingen of verbeteringen aan toe te voegen hebben, graag. Het is leuk om ver van huis kapingen te kunnen vermijden of herstellen.

Dakwerkers

Het is vier jaar geleden en ik kan me niet meer alles herinneren, maar toch krijg ik al snel het gevoel dat er veel is veranderd hier in Lhasa. Meer reclamepanelen, nieuwbouw, toonzalen met gloednieuwe SUVs, hoogbouw en een nieuwe spoorweg langs een heuse ring road met op- en afritlussen. Tenzin vertelt me dat Lhasa de eerste Chinese stad was waar prive-autos waren toegelaten. Dat laat zich merken. Het is druk op de baan en alles doet denken aan een middelgrote moderne Chinese stad. Geen karakter, veel schreeuwlelijke advertenties met hier en daar een monumentje of een parkje voor het zicht. Het hoogste gebouw in Tibet is een groenblauwe moderne wolkenkrabber in Lhasa, de politietoren.

Ik logeer in de Barkhorwijk, de oude Tibetaanse wijk rond de Jokhangtempel. Je zou het gek genoeg Tibettown moeten noemen, een laatste oase authenticiteit temidden het oprukkende Chinese stadslandschap. Het valt me direct op dat er op elke straathoek en op de daken rond Barkhor Square politie en militie de wacht houden. Tenzin laat me nog weten dat ik absoluut geen fotos mag trekken van de mannen in het blauw of groen  omdat hij anders in de problemen komt.  Een gebaar met zijn vinger langs de keel zegt genoeg. Tenzin geeft me nog zijn adreskaartje, wenst me een prettige dag en dan ben ik vrij zolang ik in Lhasa blijf. Dat dacht ik tenminste.

Het wordt al snel duidelijk dat ik hier zonder gids niet veel kan doen. Het Sera- en Drepungklooster zijn off limit voor toeristen zonder begeleiding. Wat me rest is de Jokhangtempel, het gebedscircuit van Barkhor Street en de parkjes en pleinen rond de Pottala. Alle goed bewaakte plekken dus. Alles binnen bereik van de straatcameras. Ik draai de eerste avond enkele gebedsrondjes mee rond de Jokhang. Wat je hoort is een constant geschuur van karton op steen. Pelgrims laten zich op de grond zakken in gebed.  De handen en knieen komen terecht op kartonnen flapjes die meeschuifelen rond de heilige tempel tot diep in de nacht. Ze vragen vergiffenis voor hun zonden. Het is me niet helemaal duidelijk welke zonde dat wel mag zijn. Gij zult niet onderdrukt worden? Overal rond me heen klinkt het zachte geprevel van om mane pad me um, de trillingen gaan de kosmos in in de hoop dat op een dag het gebed wordt gehoord en de vrede neerdaalt op alle levende wezens.

Het was niet mijn bedoeling veel te gaan bezoeken in Lhasa, ik zou zo veel mogelijk naar het Dickey Weeshuis toe gaan, daar misschien zelfs logeren. Ook dat blijkt moeilijker dan voorzien. De mails van het weeshuis worden gelezen, de telefoongesprekken worden afgeluisterd. Ze hebben erg veel contact met buitenlanders die een bezoek brengen of het weeshuis sponsoren en dat valt niet in goede aarde. De overheid tracht het contact tussen buitenlanders en Tibetanen te beperken tot het absolute minimum of het verplichte verkooppraatje. S avonds komt de politie kijken of er nog bezoek is achtergebleven. Ik kan er niet logeren. Er is een kamer voorzien voor overheidsbezoek, dat is verplicht. De nodige bezegelde documenten hangen ingekaderd, er pronkt een heus bureau, er wappert een rode vlag en Mao, Marx en Stalin kijken goedkeurend toe. Dat big brother ook mij in het oog houdt wordt snel duidelijk. De eerste avond kan ik nog in mijn Gmail, mijn e-mailaccount. Op dag twee laat ik me stom genoeg vangen met een Google nepscherm dat om een nieuw paswoord vraagt. Ik ga er - nogmaals stom genoeg - op in en even later heb ik geen toegang meer tot mijn eigen account. Mijn e-mailadres stond op de site van het weeshuis als adres voor de contactpersoon in het buitenland en dat was kennelijk niet naar de wens van de Chinese autoriteiten. Ze zijn sowieso niet blij met het bestaan van websites voor het weeshuis, maar daar kunnen ze niet veel aan doen. Tenzij de crash van de site enkele maanden geleden toch niet zo toevallig was? Wat ze wel kunnen voorkomen is dat dit project in eigen land bekend wordt. Het is daarom verboden om de site ooit in het Chinees te publiceren. Chinese bezoekers plaatsen soms op hun eigen weblog een stukje over het weeshuis, maar meer ruchtbaarheid kan er niet aan gegeven worden. Dan  wordt het hommeles voor de mensen van Dickeys en dat moeten we uiteraard vermijden.

Sommige buitenlanders waren al gaan klagen bij de overheid waarom er geen steun wordt gegeven aan de drie weeshuizen in Lhasa, allemaal prive-initiatieven, waarvan er een erkend is als ngo. De overheid is daarom nu met de idee op de proppen gekomen om zelf een weeshuis te beginnen. Ze hebben Dickeys bevolen ermee op te houden en de kinderen af te staan aan het oveheidsproject. Gelukkig kent Ama Dadhon genoeg invloedrijke Tibetanen in de overheid die het weeshuis goedgezind zijn zodat ze dit kon voorkomen. Na veel onderhandelen werd het compromis bereikt dat Dickeys niet meer dan de huidige 76 kinderen mag opvangen. Er mogen pas nieuwe kinderen worden opgevangen, als er andere het huis verlaten. De overheidssteun waarop ze hadden gehoopt, kunnen ze dus kennelijk op hun buik schrijven en de erkenning als ngo is nu ook een groot vraagteken. Waar ze nog wel op hopen is dat de kinderen, wanneer ze 18 worden, een identiteitskaart zullen krijgen. Slechts een viertal kinderen heeft nu zo een kaart omdat er bewijzen van hun afkomst zijn. Deze kinderen werden achtergelaten in het ziekenhuis of te vondeling gelegd bij de monniken van het Seraklooster die aangifte deden bij de politie. De andere kinderen kunnen later zonder kaart geen kant op. Ga maar eens iets huren, lenen of aansluiten als je officieel niet bestaat.

Ik ben in Lhasa op Vesak, de vijfde volle maan in de plaatselijke kalender. Op Vesak herdenkt men de geboorte, de verlichting en het sterven van de Boeddha. Het is een religieuze feestdag en de waakhonden staan op scherp. De politie draagt nu kogelvrije vesten en schilden, de militairen zijn gewapend. Barkhor Square wordt een parking voor brandweerwagens en relautos. Met hun aanwezigheid willen ze duidelijk maken dat een herhaling van de protesten of rellen van maart 2008 onmiddellijk in de kiem gesmoord zullen worden. Bij de Tibetanen zit de schrik en minachting er goed in.  Er wordt veel gebeden, door jong en oud tot diep in de nacht van de volle maan. Dat op zich lijkt al een protest.

Ook de weeskinderen wordt opgedragen hoe ze zich moeten gedragen op deze feestdag die er voor hen geen mag zijn.  Het is schoolkinderen verboden om religieuze feestdagen te vieren. Bij de ouders, ouderen en pelgrims uit het platteland wordt het getolereerd, maar voor schoolkinderen uit Lhasa is het in principe verboden. Ama maakt me zonder al te veel wooren duidelijk dat ik die dag beter geen bezoek breng aan het weeshuis. De politie kwam vooraf nog even zeggen dat sportt-shirts met de nummers 314, 64 en 89 verboden zijn. Chinezen schrijven eerst de maand, dan de dag.  Dus 14 maart, 4 juni en 1989 horen niet thuis in de garderobe.  Doe zelf het huiswerk maar.

Maar ook in de kloosters wordt bepaald wat mag en niet mag. Ook daar lopen de waakhonden over de daken, nu undercover of in monnikengewaad. Ze waken erover dat het programma wordt gevolgd - lees de separatist Dalai Lamai nummer veertien wordt doodgezwegen - en het contact met de buitenlanders wordt gemonitord. Voor de Chinese toeristen die nu ook in grote getale afzakken naar dit exotische minderheidsgebied geldt deze controle minder. Zij volgen de paraplu van de Chinese gids en krijgen de voorgekauwde propaganda ingelepeld  - de Glorieuze Eenmaking van het Moederland, de Vredevolle Bevrijding, de Afschaffing van de Slavernij, noem het maar de Honderdjarige Rotte Eieren. Chinezen slikken kennelijk alles.

Maar goed, vele Chinezen weten niet wat er hier gebeurt. Of zien alleen de kant van de economische vooruitgang. Ze brengen de Bling Bling Dynastie naar de verpauperde uithoek van het Moederland, zoiets. Vraag is maar of de Tibetanen daarop zaten te wachten. Het is nooit helemaal zwart/wit natuurlijk, maar naar mijn gevoel teveel blauw en groen om nog van Vredevol Bevrijd te mogen spreken. Doe mij dan maar nummer veertien, ook een Tenzin.

Namtso Lake

Een dikke tweehonderd kilometer buiten Lhasa ligt Namtso Lake. Ik krijg de kans om met een groepje reizigers aan te sluiten en zo de jeepkosten te delen. We vertrekken op een zonnige dag, dat waren ze tot hier toe trouwens allemaal. Eerst gaat het richting Drepungklooster. Ooit de grootste kloostergemeenschap van Tibet met 10.000 monniken van de orde van de Geelmutsen, huisvest het klooster nu nog slechts een 400-tal geestelijken. Het heeft alles wat zo eigen is aan de Tibetaanse kloosters - 1000 boeddhas, beschermgoden, boterlampjes, gebedswielen en kleurrijke stenen. Maar ook iets wat vroeger niet zo eigen was aan deze plek, de Chinese veiligheidsmannetjes op het dak en de spion onder de monniken.

Verder door richting meer rijden we een hele tijd langs de nieuwe spoorlijn, kennelijk de hoogste ter wereld.  Jigme, de gids, zegt me dat die dertig procent toeristen naar de hoogvlakte brengt en zeventig procent werkloze Chinezen uit arme provincies. Die komen hier hun kans wagen op een baan en slagen er kennelijk sneller een aan de haak dan de Tibetanen zelf. Dat wordt niet echt in dank aanvaard. Begrijpelijk.

We nemen na vele bochten de pas op 4910 meter en het Namtsomeer geeft zich voor een eerste keer prijs. Het meer is zout. Een oude zee? Ik beklim de berg naast het meer. Heel af en toe, iets meer dan gewoonlijk, moet ik stoppen op zoek naar een grote hap zuurstof. Ik slikte deze reis preventief Diamox en heb veel minder last van de hoogteziektekwaaltjes dan de vorige keer op deze hoogte. Geen hoofdpijn, geen nare dromen. Fijn. Mijn klim wordt beloond met een prachtig uitzicht over het meer, een eerste ontmoeting met de typische yaks en een soort zonsondergang die er niet echt een is.

We slapen in een kamp van aluminum werfcabines. Vroeger werd hier gelogeerd in nomadententen, maar met de opkomst van het Chinese toerisme wilde men toch iets meer comfort aanbieden. Het resultaat is een opeenstapeling van karakterloze ijzeren koten, reclamepanelen voor winkels met een schaarste aan koopwaar en woekerprijzen voor een hard bed op deze exotische bestemming. Het is bij de jonge Chinezen in om hier rond te reizen. Een beetje aapje kijken bij de barbaarse minderheden. Zoiets.

Dag twee begin ik aan een kora rond een van de heilige bergen aan het meer. Het is bewolkter dan de vorige dag, dat wel, maar een sneeuwstorm dat zag ik er niet in. Ik heb nog ruim een uur te gaan wanneer de eerste hagelstenen me tegen de wangen kletsen. Dit is niet goed. Ik loop in mijn jeans, zonder regenjas, met stadsschoenen. De hagel neemt toe in kletsen en hoeveelheid. Een Tibetaanse man op de motorfiets verlaat langs het grindpad het kamp. Hij vertraagt en doet teken of ik een lift wil  naar het kamp. Ik heb geluk vandaag. Met een hand loodst hij het ijzeren ros langs het grind, met de andere slaat hij de hagelstenen en sneeuw uit zijn gezicht. Met knarsende vrieshandjes en een welkom kopje zoete melkthee zit ik een klein half uurtje later rond de warme kachel bij zijn vrouw.

Wanneer ik terug bij het kamp aankom ligt er al een mooie laag wit. Het gaat hier snel. Chauffeurs speculeren over het al of niet nemen van de pas. We gooien een laatste sneeuwbal, nemen afscheid van het meer en vertrekken richting Lhasa. Onderweg moeten we stoppen voor een truck die de weg blokkeert, chauffeurs die van de pas komen en verslag uitbrengen en de obligate kiek aan de nu witte pas. Dat was gisteren even anders. Niets blijft wat het is. Neem nou de trein, of de mannetjes op de daken.

Bokaal

De bar annex restaurant annex gratis surfstek in het Candy Inn in een hutong in Beijing heeft iets van een aquarium. We zitten hier met z’n allen rondjes te draaien en weten dat er buiten deze kom een hele wereld te ontdekken valt en toch is dit makkelijker. Dezelfde plantjes - pizza, burger en dumplings - hetzelfde kasteeltje - onze veilige kamer met tv en slot. Een allegaartje van exotische visjes verzamelt hier na de obligate dagexcursie in de bloedhete smog of komt hier uitkateren na een nachtje Beijing clubbing. Ik heb dit vaker gezien - geef toe, ik heb wat globekilometers onder de zolen. Reizigers aller landen verenigen zich…net niet.

De lingo, het t-shirtje met exotisch bierlogo, het stoere verhaal van een maar net geslaagde paspoortcontrole, het regelen van een vlucht naar morgen en - nu ook - het Facebooken met het thuisfront zijn kennelijk het hedendaagse uitstalraam van je wanderlust. Heel af en toe ontmoet ik de zonderling - vergeef hem zijn reisexclusieve baardgroei - die me vertelt hoe hij per fiets de hele stad doorkruiste en zo niet-gids bestemmingen bereikte. Omdat ze nooit een bestemming waren. Heel af en toe ontmoet ik de avonturier die graag luistert - en echt luistert, notities inclusief - naar mijn tips en ervaringen over Tibet. Verder zijn het vooral twintigers en prille dertigers die - oh wee, we hebben geen budget (hoe durf je dat hier te zeggen?) - zichzelf elke dag heruitvinden. Totdaar het kortetermijngeheugen van de goudvis. Verder gaat deze vergelijking met het aquarium niet op.

In tegenstelling tot de goudvis slagen wij mensen erin om de spiegel te doorbreken en een nieuwe weg in te slaan. Maar dan moet je voorbij het “waar was jij gisteren?” en “waar ga jij morgen naartoe?” Dan moet je wegzakken in het hier en nu. En zelfs dat niet. Gewoon zijn, met de nadruk op gewoon.

Word ik te cynisch voor hype guesthouses? Of word ik straks gewoon veertig? Ik kijk ernaar uit. De bokaal wordt er alleen maar groter op.

Tempel van stilte

Ik begeef me in een koele en kraaknette metro richting Temple of Heaven Park. Toen ik in 2005 voor het eerst in Beijng was, was men druk doende deze sandaalhouten constructie te restaureren. Meer dan een stelling en doeken was hier toen niet te zien. Vandaag is dat even anders. Ik koop een kaartje aan de ingang van het park en sta een beetje te gapen naar het informatiepaneel wanneer de gids Lei naar me toe stapt. Of ik naar de Muur wil, of naar de Verboden Stad? Of een rondleiding langs de paviljoenen hier in het park? Ik aarzel even maar denk dan: waarom niet. Ik ben hier alleen. Gezelschap is mooi meegenomen. Lei spreekt heel verstaanbaar Engels en is, dat blijkt al snel, op de hoogte van alle historische feiten. Die van lang geleden op de keizerlijke tijdsbalk, maar ook die van een iets recentere datum. Ik heb er goed aan gedaan net vandaag deze plek uit te kiezen, zo zegt hij. Er is enkele dagen een ban op alle Chinese tourgroepen in Beijing. Deze week is het twintig jaar geleden dat het ‘Tankmanincident’ het Tienanmenplein op de wereldkaart zette en de overheid wil nu even geen Chinese groepen in de stad. Nu even niet. Normaal gezien is het hier mensendik kijken. Een af- en aanrijden van bussen die hordes paraplu’s en petjes het park injaagt. Vandaag is het hier stil. Lei begint met het corrigeren van de naam Temple of Heaven. In werkelijkheid is het de tempel van het gebed voor de oogst.

De keizer vertrok na een periode van vasten vanuit de Verboden Stad met zijn gevolg. Een gevolg te paard, te voet, in ceremoniele wapen- en klederdracht, allemaal gecastreerd. Geen vrouwen richting tempel. Hij verbleef hier drie dagen, dagen zonder vlees, van meditatie en gebed. Aan de intrede van het complex werd hij ritueel gewassen en gekleed in een soort van badhuis. Dan ging het richting hal van de tabletten. Chinezen maken bij het overlijden van een voorouder een tablet met daarin een gebed gegraveerd. Het lichaam is vergankelijk en verdwijnt al snel. De geesten daarentegen verblijven in de hemel en verdienen dus een gebed op een tablet. Logisch. Zo werden er dus ook tabletten gemaakt voor de keizerlijke voorouders. Die worden bewaard en bewaakt in prachtige hallen in dit complex. Voor dit terugkerende ritueel werden er houten replica’s van deze tabletten gemaakt. En er werd een offeros gekozen. De os werd verbrand in een houtoven en de tabletten in elk een eigen bronzen korf. Met de rook en stank van deze offers hoopte de keizer de aandacht van de hemelgoden te trekken.

De keizer begaf zich tenslotte naar het Altaar van de Hemel, een groot rond marmeren bouwsel met centraal een ronde verhoogde steen. Op deze steen riep hij het gebed voor een goede oogst de hemel in. Door de architectuur van deze cirkel weerklinkt hier een enorme galm wanneer je op die bepaalde plek roept. Ik kan het vandaag op aanwijzen van Lei uittesten. Er is geen muur van toeristen die het geluid breekt. Ik sta hier alleen en roep vanop de keizerlijke cirkel mijn gebed naar de hemel: ‘Goede reis, Sarah!’ Mijn echo beaamt.

Hutong hitte

Ik land na een slapeloze vlucht - twee uurtjes wroetslaap met een stijve nek tel ik niet als slaap - in Beijing. De passagiers staan op, verzamelen pak en zak uit de kastjes en drummen zich een weg naar de uitgang. De crew fluit ons terug. Iedereen terug op zijn plaats. Er komen medische inspecteurs met maskertjes en latex handschoenen aan boord. Met een pastelpaars pistooltje - alles medisch heeft hier een pastelkleur - wordt, zonder aanraking, van alle passagiers de temperatuur gemeten. Is het echt high-tech en menens of gewoon blufpoker? Zoiets weet je hier nooit. We vullen allemaal ons papiertje in waarop we verklaren dat we geen griep hebben, geen koorts, geen keelpijn, geen hoest, geen pijn in de borststreek. En dat we de afgelopen week geen contact hadden met een varken. Verder willen ze ook weten waar we de afgelopen twee weken vertoefden. En dan mogen we op het vasteland, het Moederland. Terminal 3 ligt er nog steeds kraaknetjes en muisstil bij. Ook hier weer aanschuiven bij de medische inspecteurs. Onze ‘health declaration’ afgeven aan een gemaskerde bureaucraat. Nu nog langs Immigratie en dan ben ik binnen in het Middenrijk. Sinds mijn laatste bezoek aan de toen Olympische stad is de nieuwe treinverbinding van de Airport Express voltooid en trein ik vlot naar het hart van de hoofdstad. Een metrostop erbij en ik sta op de straat. Een warme straat, en het is pas 8 uur ’s ochtends. Ik vind de weg naar mijn guesthouse in een hutong achter de Lama Tempel. Mijn vergunning voor Tibet ligt klaar aan het onthaal. Ja!

Ik slaap enkele uren, het is voor mij tenslotte putje nacht, en trek dan richting International Hotel, het enige adres waar je als buitenlander een treinkaartje voor Mongolie kan bemachtigen. Als ze er zin hebben tenminste. Vandaag is mijn geluksdag. 1600 yuan armer en een treinticket Beijing-Ulaanbaatar rijker sta ik weer in de hitte. Het is ondertussen 32 graden en een briesje blijft uit. Maar ik ben blij. Al de geplande reisvoorbereidingen zijn in een dag geregeld. Geloof me gerust, dat is in China geen sinecure. Vaak gaat het van het kastje naar de muur. En dan heb ik het niet over het historische bouwwerk. Die Muur bewandel ik in juli. Dan breng ik nog een dag of vier door in Beijing. Nu ga ik vooral rusten, een beetje in de tuin van de tempel zitten lezen, een beetje kuieren in de hutong voor en na de hitte. Kan ik vrijdag uitgerust en geacclimatiseerd naar het speelgeweld van 76 snotapen hoog boven de boomgrens in Tibet.

On the road again…almost

De rugzak is gepakt en puilt uit. En de handbagage. En nog wat handbagage. Ik reis voor het eerst zwaar bepakt, tot op de limiet van het toegestane gewicht en formaat. Maar daar is een reden voor. Uiteraard. Ik probeerde in mei en augustus 2008 tevergeefs een bezoek te brengen aan het Dickey Weeshuis in Lhasa. Maar Tibet was toen gesloten. Nu gaat het lukken. Mijn visum is geregeld, al zij het op de valreep. De jonge Brusselse Arabische taxichauffeur heeft toen mijn reis gered. ‘Je vais couper, je vais couper’. Langs kleine straatjes ver weg van de files loodste hij me om vijf voor elf naar de Chinese ambassade in Woluwe. Die sluit om elf uur. En dan naar de Mongoolse in Vorst. Die sluit om twaalf uur. Het was een dagje stress. Die rit vergeet ik niet snel. Wat ik wel bijna was vergeten was mijn gele vaccinatiekaart. Die heb ik op het laatste even van onder het stof gehaald. Gelukkig maar. Buiktyfusvaccin moest opnieuw gezet. Een prik later ben ik helemaal klaar. Of toch niet. Mijn zonnebril ligt nog in de ravijn boven de Yangtze in China. Toch nog even winkelen dan: zonnebril, tampons, tandpasta. Klaar.

Op twee juni vlieg ik via Londen naar Beijing. Op vijf juni gaat het richting weeshuis in Lhasa met pak en zak vol kleren en cadeautjes. Half juni sta ik terug in Beijing. Hopelijk in het station met een treinkaartje voor Ulaanbaatar. Daar wacht een jeep met bevriende Mongolen. En een Gobiwoestijn vol stilte. Eindeloze stilte. Eindelijk…

Moezelen

Er was iets mis met Duitsland. Ik ging als kind met de camper de mooiste landschappen door. Frankrijk, Nederland, Luxemburg. Maar nooit naar Duitsland. Er werd over Duitsers gepraat alsof het nog een beetje oorlog was. Alsof ze allemaal een beetje schuldig waren aan de dood van opa. Er was duidelijk iets mis met Duitsland. Het heeft moeten duren tot november van dit jaar dat ik er, ondertussen met een eigen campertje, op ontdekking ging. De atlas valt open op de Moezel.

Lees verder op Toerke

Los caracoles

We waren laatst weer eens naar onze verre zuiderburen. Eigenlijk bijna onze Afrikaanse neefjes want zwem je een rots verder, dan zit je in Marokko. Niet dat er daar veel gezwommen wordt. De oversteek gebeurt eerder in obscure lekke sloepen of zelfgemaakte badkuipen door een radeloze groep vluchtelingen op weg naar Fort Europa. Dit even terzijde.

Onze overtocht was iets minder roekeloos. De vliegtuigwieltjes raken de tarmac en je ziet de hitte al sidderen boven de horizonlijn. Eens buiten met pak en zak slaat de zonnehitte je in het gezicht. Het is hier warm, erg warm. Welkom in Malaga, Andalucia. Land van de flamenco, de sherry, de paarden en de tapa’s.

Lees verder op http://www.toerke.be